Y1

Y1 is de codenaam van een tabaksras dat aan het eind van de jaren 70 van de vorige eeuw werd ontwikkeld door James Chapin, werkzaam voor Brown & Williamson, destijds een dochteronderneming van British American Tobacco. Het doel van het ontwikkelen van dit – naamloze – ras was om te onderzoeken of men het nicotinegehalte van tabak drastisch kon verhogen.
Men kweekte uiteindelijk een serie van vijf verschillende rassen, die bestonden uit een kruising tussen de (echte) tabak (Nicotiana tabacum) and de potente boerentabak (Nicotiana rustica). Op proefvelden bleek in 1983 dat de meeste plantjes maar zwak bleken en zo kwetsbaar waren dat ze al bij een beetje wind omwaaiden. Slecht twee bereikten het volwassen stadium. Y2, welke "turned black in the drying barn and smelled like old socks," en Y1, welke uiteindelijk wel een succes bleek te zijn.
Normale flue-cured tabak heeft een nicotinegehalte van 3.2 tot 3.5 procent, terwijl Y1 wel meer dan 6.5 procent nicotine kon bevatten. Dat was dus twee keer zoveel nicotine. Bovendien had Y2 dezelfde hoeveelheden aan teer, waardoor het aroma vergelijkbaar was met diens normale soortgenoten.

Toen begonnen de problemen. Het bedrijf werd beschuldigd van het feit dat ze roken nog verslavender wilden maken en alle pogingen om dit ras te registreren werden afgewezen[1]. Hoewel het bedrijf aangaf dat ze de tabak slechts wilden gebruiken om merken met een lager teergehalte (low tar) toch voldoende smaak en nicotine mee te geven, bleek dit niet voldoende om de Amerikaanse gezondheidsdienst, de FDA, te overtuigen. Met Y1 is het daardoor nooit meer goedgekomen en is niet meer op de markt.

[1] Hurt et al: Prying Open the Door to the Tobacco Industry's Secrets About Nicotine - 1998 

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen