Snuiftabak

Snuiftabak is een zeer fijn vermalen en gedroogde tabak die verrijkt is met een keur aan geur- en smaakstoffen. Het grote voordeel van snuiftabak is dat de werkzame stof, de nicotine, veel sneller de hersenen zal bereiken. Het beoogde effect is daardoor ook intenser.
Tot voor kort een vrijwel uitgestorven gewoonte, maar deze vorm van tabaksgebruik is tegenwoordig aan een kleine revival bezig. De kans dat je een actieve gebruiker tegenkomt is echter nog steeds zeer klein. In de Gouden Eeuw was snuiftabak in ons land echter het meest genuttigde tabaksproduct. Het verdreef zelfs pijptabak van de eerste plaats. In de 18de eeuw was een kostbare snuifdoos zelfs een echt statussymbool. Door de opkomst van sigaar en sigaret nam het gebruik van snuiftabak echter af.
Voor het maken van de zogenaamde rapésnuif werden de tabaksbladeren eerst gesausd. De samenstelling van de saus verschilde per soort snuif en het recept werd door de fabrikant angstvallig geheim gehouden. Veel gebruikte ingrediënten waren bijvoorbeeld keukenzout, potas, rozenwater, dropwater en jeneverbessap. Na het sauzen worden de tabaksbladeren gestript, vervolgens afgewogen, in linnen doeken gewikkeld en omwonden met een strak aangetrokken touw. Dit proces wordt na een week of twee herhaald, daarna worden het touw en de doek verwijderd.
De nu ontstane karot – ook wel andouille of andoelje genoemd - was een rol stevig opgerold tabaksblad en die werd opnieuw opgebonden, maar nu met dun bindgaren. Het proces noemde men ficelleren van het Franse woord ficeler ('vastbinden'). De karotten gingen vervolgens in opslag om te fermenteren. Dit proces kan maanden, soms wel meerdere jaren duren. Na het fermenteren werden de karotten fijngeraspt of fijngehakt. De naam rapésnuif was namelijk ontleend aan het Franse woord râper ('raspen'). In plaats van het handmatig raspen werden de karotten ook wel in een windmolen fijngehakt.

Bij het bereiden van stelensnuif werden de stadia van het karottentrekken en het fermenteren overgeslagen. Er werd vooral uitgegaan van de goedkopere stelen (de middennerven van de tabaksbladeren), maar soms ook van de hele bladeren. Al tijdens het fijnhakken werden de tabaksbladeren gesausd met essences, zoals rozenolie, eucalyptusolie, lavendelolie en menthol.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen