Tabak en Curing

Het behandelen (curing) en het daarop volgende rijpen (aging) zorgen voor een langzame oxidatie en afbraak van de aanwezige carotenoïden in de tabak. Dit proces zorgt voor een betere smaak die soms doet denken aan hooi, thee of andere fruitige smaaksensaties.

Tabak kan op verschillende manier behandeld worden.
Air-cured betekent dat tabaksbladeren in een goed geventileerde schuur worden opgehangen. De tabak wordt gedurende een periode van vier tot acht weken gedroogd. Air-cured tabak heeft een laag suikergehalte, waardoor het een lichte, milde smaak krijgt, terwijl het een hoog nicotinegehalte bevat. Sigaartabak en Burley tabak zijn air-cured.

Fire-cured betekent dat tabaksbladeren in een schuur worden opgehangen waar men voortdurend of afwisselend een vuur van hardhout laat smeulen. De tabak wordt gedurende een periode van drie dagen tot tien weken gedroogd. Fire-cured tabak heeft een laag suikergehalte en een hoog nicotinegehalte. Pijptabak, kauwtabak en snuiftabak zijn fire-cured.

Flue-cured betekent dat tabaksbladeren in een schuur worden opgehangen waar men vanaf de buitenkant vuur laat branden. De tabaksbladeren komen dus niet in contact met vuur of rook en drogen dus langzaam uit. De tabak wordt gedurende een periode van een week gedroogd. Flue-cured tabak heeft een hoog suikergehalte en gemiddeld tot hoge nicotineniveaus. Deze tabak produceert een mildere, meer inhaleerbare rook. De meeste sigaretten zijn flue-cured.

Sun-cured betekent dat tabaksbladeren in de zon worden gedroogd. Deze methode wordt toegepast in Turkije, Griekenland en andere landen in het Middellandse Zeegebied. Sun-cured tabak heeft een laag suikergehalte en tevens een laag nicotinegehalte. Deze tabak wordt gebruikt voor sigaretten.

Apache

Het merk Black Devil kennen we hier in Nederland nauwelijks, maar het wordt wel degelijk in ons land geproduceerd en verkocht. De producent, Heupink & Bloemen Tabak BV, is gevestigd in het Overijsselse Ootmarsum. Het bedrijf ontstond in 2001 door de fusie tussen Fa. Heupink & Reinders BV en Tabaksfabriek W.B.A. Bloemen BV. In de arena van de wereldwijd opererende multinationals is Heupink & Bloemen Tabak BV het enig overgebleven familiebedrijf dat zich sinds 1839 bezig houdt met tabaksproductie.

Het bedrijf is een niche-player om zo een hoekje van de markt in handen te krijgen waar de olifanten in de sector hun poten niet kunnen plaatsen. Daartoe poogt het zo efficiënt mogelijk te produceren in het shag- en sigarettensegment.
Heupink & Bloemen Tabak B.V. exporteert 65% van de productie. Het bedrijf focust zich, naast de Benelux, op landen als Duitsland, Frankrijk Spanje, Italië en Griekenland. Bovendien zijn er in bepaalde Aziatische markten veel tevreden klanten. Niet alleen wordt veel geleverd onder private label, maar Heupink & Bloemen Tabak B.V. Produceert ook merken als Arbo, Look Out, Black Devil en het recent op de Nederlandse markt geïntroduceerde Apache.

Hoewel deze merken mogelijk niet erg bekend zijn onder de Nederlandse rokers, zijn ze bij goed gesorteerde speciaalzaken wel degelijk te koop. Online zijn er zeker vele mogelijkheden.

Tabak en een Griepvaccin

Nog steeds wordt het griepvaccin geproduceerd in kippeneieren. Dat kán in zeldzame gevallen problemen opleveren bij mensen die allergisch zijn voor kippeneiwitten. Het grootste probleem ligt echter bij de productie: het duurt een half jaar voordat voldoende vaccin beschikbaar is en dat is lastig als er een nieuwe griepvariant opduikt.
Medicago, een Canadees bedrijf, heeft een technologie ontwikkeld waarbij genetisch Influenza-materiaal (virus-like particles ofwel VLP) in de bladeren van de tabaksplant wordt geïmplanteerd[1]. Omdat tabaksbladeren snel groeien, worden ook meer virusdeeltjes aangemaakt. Het productieproces in tabak is zes keer sneller dan het proces in kippeneieren. Het is bovendien goedkoper.

Nu zul je je afvragen waarom het vaccin nog niet beschikbaar is. Welnu, dat proces duurt lang omdat het medicijn allerhande testfases moet doorlopen om te bekijken of het geen gevaar voor de mens oplevert en of het doet wat het belooft. Het zit nu in de zogenaamde Phase III en dan schiet het lekker op, want er is dan alleen nog Phase IV te doorlopen voordat het op de markt kan verschijnen.

[1] D'Aoust et al: The production of hemagglutinin-based virus-like particles in plants: a rapid, efficient and safe response to pandemic influenza in Plant Biotechnology Journal – 2010

Kretek Sigaretten

Kretek is een soort sigaret die bestaat uit een mengsel van verschillende soorten tabak, kruidnagel en (soms) andere geur- en smaakstoffen. Traditioneel bevat de kretek twee delen tabak en één deel kruidnagel. Het levert een herkenbare geur op voor de omstanders. Het woord 'kretek' is, volgens de taalgeleerden, ontstaan als een klanknabootsing van het knetterende geluid dat de kruidnagel maakt tijdens het verbranden. In werkelijkheid is 'knetteren' gewoon de vertaling van het modern Indonesische woord keritik (of andersom). 
De oorsprong van de kretek sigaretten kan teruggevoerd worden tot een moment aan het eind van de 19de eeuw. Haji Jamhari, een bewoner van Java, had last van aanhoudend hoesten en (daardoor) borstpijn en hij probeerde de pijn op de traditionele manier te bestrijden door kruidnagelolie op zijn borst te smeren. Het hielp niet. Jamhari zocht een manier om de 'medicatie' dieper in zijn lichaam te krijgen en bedacht dat hij de kruidnagel wel eens in een sigaret zou kunnen stoppen. Zijn klachten verminderden inderdaad en zijn faam spreidde zich rap over de Indonesische archipel. Al snel was de sigaret in veel apotheken te koop onder de naam rokok cengkeh ('kruidnagelsigaretten').

In Indonesië is de kretek de meest verkochte sigaret, mede doordat er een stuk minder belasting op wordt geheven dan reguliere sigeretten. In de rest van de wereld blijkt er weinig vraag naar deze variant, maar in Nederland, waar natuurlijk nog een grote groep (nazaten van) Indiërs wonen worden nog veel kreteks verkocht.

Het zal niet verbazen dat de Indonesische economie jaarlijks voor meer dan $500 miljoen profiteert van de export van kretek sigaretten.

Viltige tabak

Hoewel Viltige Tabak (Nicotiana tomentosiformis) geen officiële Nederlandse naam draagt, noemen we hem toch maar zo. Wie weet starten we een trend, maar belangrijker is om hem te kunnen onderscheiden van andere tabakssoorten en niet voortdurend terug hoeven te grijpen op de bijkans onuitspreekbare wetenschappelijke naam.

Viltige Tabak groeit van nature in het Zuid-Amerikaanse Andesgebergte, vanaf Peru tot aan Argentinië met een zwaartepunt in Bolivië. Het is een meter hoge, vaste kruidachtige plant met een behaarde steel en bloeiend met tere dieproze bloemen.
Deze tabakssoort wordt tegenwoordig gezien als één van de stamvaders van de (echte) tabak (Nicotiana tabacum). Een andere voorvader van de tabak is de bostabak (Nicotiana sylvestris) en mogelijk Nicotiana otophora. Aangezien ook deze laatste soort niet in het bezit is van een Nederlandse naam, zullen we hem misschien 'Oordragende Tabak' mogen noemen.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Nicotiana, ontleent zijn naam aan Jean Nicot, een Franse edelman en de Franse ambassadeur in Portugal van 1559 tot 1561, die in 1560 via Portugal de zaden van de tabaksplant zijn land binnenbracht. Het tweede deel, tomentosiformis, is een combinatiewoord uit het Latijn, waar tomentosis 'vilt' betekent en formis 'vorm'. Het is dus een plant met een viltig uiterlijk.

In tegenstelling tot de (echte) tabak heeft de Viltige Tabak nauwelijks nicotine in zijn bladeren zitten. De alkaloïde die in Viltige Tabak het meest voorkomt is nornicotine (65% van 0.5 mg/g aan totale alkaloiden).

Nicotine, nornicotine, anabasine en anatabine zijn de vier meest voorkomende alkaloïden in tabak. In veel soorten, rassen en cultivars wordt nicotine omgezet naar nornicotine en die is op zijn beurt weer de bron voor N-Nitrosonornicotine (ofwel NNN). Deze laatste stof is kankerverwekkend gebleken[1].

[1] Chakrabarti: Evolutionairy perspective of nicotine to nornicotine conversion, its regulation and characterization of EIN2 mediated ethylene signaling in Tobacco in UKnowledge – 2010

Virginia Tabak

Virginia Tabak is een ras van de (echte) Tabak (Tabacum nicotiana).

Voor de Amerikaanse Burgeroorlog (1861 tot 1865) was de meest verbouwde (en gerookte) tabakssoort een dark-leaf. Dit type tabak werd aangeplant in vruchtbare laaglanden, leverde een robuust blad en was óf fire cured óf air cured. Deze tabak was behoorlijk scherp en zwaar.
Een aantal jaren na het einde van de Burgeroorlog ontstond er vraag naar wat mildere, lichtere en meer aromatische tabak. In verschillende Amerikaanse staten werd driftig geëxperimenteerd en boeren ontdekten dat bright leaf tabak een arme, zanderige grond in wat hoger gelegen gebieden nodig had om tot wasdom te komen. Dat betekende dat boeren, die in het bezit waren van land waarop nauwelijks iets wilde groeien, plotseling nieuwe kansen op inkomen zagen.

Rond 1839 ontdekte men in Virginia de eerste echte bright leaved tabak. Men gebruikt houtskool om een vuur aan te maken en de hitte zorgde voor een snelle vergeling van de bladeren. Het droogproces duurt een week. Na het drogen heeft het blad een goudgele tot dieporanje kleur. Virginia-tabak heeft een licht, fris aroma en dito smaak.

De techniek kan overal gebruikt worden en men spreekt nu van Virginia tabak, zelfs als hij elders geproduceerd wordt.

Virginia tabak is de meest milde van alle tabakssoorten die gebruikt worden om te mengen. Het heeft de hoogste waarden aan dextrose, een natuurlijke suiker, waardoor het een lichte, zoete smaak geeft. Virginia tabak wordt in vrijwel alle melanges gebruikt.

Drum

Kerftabak is de collectieve naam voor shag (of roltabak), pijptabak en pruimtabak. Tegenwoordig bestaat 99% van alle in Nederland verkochte kerftabak uit shag. Kerftabak onderscheidt zich van andere tabaksproducten door de langere tabaksdraden en het relatief hoge vochtgehalte.

Voor de Tweede Wereldoorlog bestonden alle sigaretten en shag in Nederland uit Virginiatabak. Na de oorlog kwamen Nederlanders in contact met hun bevrijders, Amerikanen en Canadezen, en zij lieten ons land kennismaken met de smaak van Amerikaanse sigaretten. Hun sigaretten bestonden uit het wat zwaardere Kentuckytabak en het duurde niet lang voordat de Nederlanders massaal aan de Amerikaanse sigaretten gingen. Je wilde bij de overwinnaars horen, nietwaar.
Voor sommige shagrokers bleek de smaak van Kentuckytabak echter iets te veel van het goede, maar men vond al snel een oplossing door de lichtere Virginiatabak te mengen met de zwaardere Kentuckytabak. De halfzware shag was hiermee geboren.

Naast koffie en thee was Douwe Egberts een belangrijke producent van shag en in 1952 zag men een gat in de markt. Zij besloten een halfzware shag te gaan producen en men verzon de naam 'Drum'. Nog steeds is het één van de best verkopende shagmerken in Nederland met een marktaandeel van bijna 10%. Wereldwijd zou het zelfs het bestverkopende merkt zijn.

Douwe Egberts werd in 1978 overgenomen door het Amerikaanse voedingsmiddelenbedijf Sara Lee. In 1998 nam het Britse tabaksbedrijf Imperial Tobacco Group (nu Imperial Brands) Douwe Egberts Van Nelle Tabakmaatschappij over van Sara Lee en kreeg daarmee ook nog steeds bekende merken, zoals Drum, Van Nelle, Winner en Amphora pijptabak, in handen. Nog steeds worden deze merken in het Friese Joure geproduceerd.

Javaanse Jongens

In 1819 richtte Meindert Niemeijer (1793-1877) een handelsmaatschappij op met de naam Niemeyer BV. Het bedrijf handelde in koloniale waren, waaronder tabak, koffie en thee. Later werd de tabakshandel uitgebreid met de productie van kerftabak.

Nadat zoon Theodorus Niemeijer (1822-1910) het bedrijf van zijn vader had overgenomen begon het bedrijf naast haar eigen productie met het produceren van wat we nu huismerken noemen. Het bedrijf, nu Theodorus Niemeyer BV genoemd, groeide gestaag door en nam verschillende concurrenten over. In 1990 was het gedaan met de zelfstandigheid en ging het op in de Britse Rothmans Group. Vervolgens fuseerde de Rothmans Group in 1999 zelf met British American Tobacco.
Javaanse Jongens is een bekend shagmerk dat op de markt wordt gebracht door Koninklijke Theodorus Niemeyer BV. Het merk en de uitstraling doet denken aan 'onze' voormalige Indische kolonie.

Jawel, het huidige Indonesië is nog altijd een belangrijke producent van tabak. Toch zit er eigenlijk geen Indonesische tabak in Javaanse Jongens. Iedere shag is een blend, een melange of een mengsel van allerlei soorten tabak uit allerlei windstreken om de juiste smaaksensatie te bereiken. Hetzelfde proces wordt toegepast bij koffie en thee.

De bekendste variant van Javaanse Jongens is Tembaco, eerder ook bekend als driekwart omdat het qua pittigheid en zwaarte tussen de shagsoorten halfzwaar (zoals Drum) en zware shag (zoals Brandaris) zit. Andere varianten zijn Enteng, de minst zware blend, vergelijkbaar met halfzware shag (van de markt genomen in 2013), en De Luxe, de meest pittige blend, vergelijkbaar met zware shag.

Voor de geïnteresseerden betekent het Indische woord temabo 'tabak' en nog steeds herkennen we het in het hedendaagse Maleisische woord tembakau. Enteng, de andere versie, is Indonesich en Maleis voor 'licht' ofwel 'light'.

Boomtabak

Boomtabak (Nicotiana glauca) is een wilde tabakssoort. Deze soort is inheems in grote delen van Zuid-Amerika, maar heeft zich door menselijke invloeden naar gebieden verspreid waar men niet zo heel blij met zijn verschijning is. In het zuidwesten van de Verenigde Staten is het een onkruid dat steeds meer langs wegen en paden wordt aangetroffen. In de staat Californië wordt hij ondertussen als een invasieve soort gezien.

De boomtabak heeft zijn naam gekregen omdat hij in zijn oorspronkelijke thuislanden wel een hoogte van meer dan twee meter kan bereiken. Zowel en stelen als de bladeren zijn onbehaard en daarmee verschilt hij van zijn broertje, de tabak (Nicotiana tabacum) die juist wel als harig bekend staat.
Met zijn grote bladeren die een bijna zilverblauwe kleur bezitten is de boomtabak een aanwinst voor iedere tuin. Als de zomer lang en warm genoeg is bloeit de boomtabak met prachtige gele trompetvormige bloemen.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Nicotiana, ontleent zijn naam aan Jean Nicot, een Franse edelman en de Franse ambassadeur in Portugal van 1559 tot 1561, die in 1560 via Portugal de zaden van de tabaksplant zijn land binnenbracht. Het tweede deel, glauca, is afkomstig uit het oud-Grieks, waar glaukós (γλαυκός) de kleur blauwgroen of blauwgrijs aanduidde.
Ooit werd de plant gebruikt voor de behandeling van allerhande medische problemen en werd gerookt door een aantal Indiaanse stammen. De Cahuilla Indianen gebruikten de bladeren van de bostabak net zoals andere soorten in hun jachtrituelen en als een papje of zalfje ter behandeling van zwellingen, kneuzingen, snijwonden, wonden, steenpuisten, zweren, ontstoken kelen en gezwollen klieren.

Een waarschuwing is hier echter op zijn plaats: boomtabak bevat behoorlijke hoeveelheden van de giftige alkaloïde anabasine en het opeten van de bladeren kan daardoor een fatale afloop hebben. Anabasine is een isomeer van en chemisch gezien gelijk aan nicotine. Het verschil is dus zijn chemische structuur een spiegelbeeld is van nicotine en dat zorgt voor andere effecten op het menselijk lichaam. Anabasine werd veelvuldig als insecticide ingezet.

Kleinbloemige Tabak

De Kleinbloemige tabak (Nicotiana goodspeedii) is wijdverspreid in grote delen van zuidelijk Australië. Hij groeit voornamelijk in een alkalische bodem, vaak in zand dat een ondergrond van kalksteen bedekt. Bovendien houdt hij van verstoorde ondergronden, zoals industrieterreinen en spooremplacementen.

De Kleinbloemige Tabak is een eenjarige kruidachtige plant die een hoogte van zo'n één meter kan bereiken. Deze variant van de tabak heeft een groot aantal ijle stengels. Zowel die stengels en de ellipsvormige tot lancetvormige bladeren zijn haarloos.
De bloemen zijn, zoals zijn naam al aangeeft, een stuk kleiner van formaat dan zijn directe familieleden. Ze zijn trompetvormig en melkwit van kleur.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Nicotiana, ontleent zijn naam aan Jean Nicot, een Franse edelman en de Franse ambassadeur in Portugal van 1559 tot 1561, die in 1560 via Portugal de zaden van de tabaksplant zijn land binnenbracht. Het tweede deel, goodspeedii, eert Dr. Thomas Harper Goodspeed (1887-1966), een voorname Amerikaanse bioloog en celbioloog. Hij was tevens curator van de botanische tuin van de Universiteit van California.

Toch hebben kenners nogal wat moeite om de Kleinbloemige Tabak te onderscheiden van de Zoetgeurende Tabak (Nicotiana suaveolens) ofwel de Sweet-scented Tobacco. Om het helemaal ingewikkeld te maken wordt die soms (foutief) ook wel aangeduid als Australische tabak, maar die naam is toch echt voorbehouden aan Nicotiana occidentalis.

Onderzoek heeft aangetoond dat deze tabakssoort maar bitter weinig alkaloïden, als nicotine, bevat. Het totaal gehalte wordt geschat op slechts 730 μg/g droge stof in de bladeren en 4284 μg/g droge stof in de wortel. De Kleinbloemige Tabak werd dus niet door de Aboriginals gerookt of voor rituele doeleinden gebruikt.

Volado Tabak

In 'Die Another Day', een film met Pierce Brosnan als James Bond, wordt een ietwat cryptisch gesprek gehouden tussen James Bond en een zogenaamde sleeper. Een sleeper is een geheim agent die 'in ruste' is en die slechts in noodgevallen gebruikt mag worden.

Het gesprek ging zo:
Bond: I’m here to pick up some Delectados.
Receptionist: Delectados? We haven't made Delectados in 30 years.
Bond: Universal Exports. Check with your boss.
Raoul: I come to think the Delectados would never be smoked. They are particularly hazardous to one’s health. Do you know why, Mr…?
Bond: Bond.
Raoul: Mr. Bond. Do you know why?
Bond: It’s the addition of the Volado tobacco. Slow burning—it never goes out.

Dit is overduidelijk een afgesproken code. Een verklaring.
Er zijn een drietal types bladeren aan iedere tabaksplant. Deze worden in het Spaans 'ligero', 'seco' en 'volado' genoemd. Iedere sigaar heeft een combinatie van deze drie type bladeren nodig en de specifieke verhouding van die verschillende tabaksbladeren heeft een directe invloed op de smaak van de sigaar.

Wat zijn de verschillen tussen die drie types tabaksbladeren?
- Ligero ('licht') is gemaakt van de bladeren van de top van de tabaksplant. Deze bladeren zullen de meeste geur en smaak bezitten. Hoe meer ligero in een sigaar verstopt zit, hoe sterker een sigaar zal smaken.
- Het volgende type, seco ('droog'), is afkomstig van de middelste bladeren van de tabaksplant. Ze zijn een stuk milder dan de ligero. Het gevolg is dat, hoe meer seco er gebruikt wordt, hoe milder de smaak van de sigaar zal blijken te zijn.
- Het laatste blad is de volado ('gevlogen'). Als we het over smaak, geur en aroma hebben dan doet dit blad eigenlijk niets. Het aroma is 'vervlogen'. Waar de volado wél goed in is, is branden. Dit in tegenstelling tot de ligero en de seco. Alle sigaren hebben volado-bladeren nodig om op de juiste manier te kunnen branden.

Met andere woorden: het verhaal van James Bond klopte in het geheel niet en juist daarom was het een afgesproken code tussen een tweetal spionnen.

Kusttabak

Kusttabak (Nicotiana maritima) is een bewoner van wilde, winderige Australische kusten. Zijn verspreidingsgebied is voornamelijk beperkt tot kuststreken van het Eyre Schiereiland, het Yorke Schiereiland, Southern Lofty en de zuidoostelijke kusten van de Australische provincie Southern Australia plus wat aanliggende eilanden. Ruwweg behoort dat allemaal tot het gebied ten oosten van de Zuid-Australische stad Adelaide. Deze tabakssoort groeit in ondergronden van zand, grind of rots, niet alleen aan de kust, maar ook in kreekjes nabij die kust. Hij houdt van een warm plekje.
De kusttabak is een struikje van maximaal zo'n 70 centimeter hoog, voorzien van een steel die bedekt is met zachte haartjes. De bladeren van deze soort zijn circa 30 centimeter lang. Hij bloeit met friswitte trompetvormige bloemen, die tot drie centimeter lang zijn, gedurende vrijwel het gehele jaar, maar voornamelijk in de lente.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Nicotiana, ontleent zijn naam aan Jean Nicot, een Franse edelman en de Franse ambassadeur in Portugal van 1559 tot 1561, die in 1560 via Portugal de zaden van de tabaksplant zijn land binnenbracht. Het tweede deel, maritima, is uiteraard eenvoudig te verklaren want maritima betekent in het Latijn 'van de zee' en uiteindelijk is het woord afkomstig van mare ('zee').

Volgens de verhalen hebben de bloemen een nogal onplezierige, wat narcotische zoete geur. Toen onderzoekers (lees: nicotinezoekers) de bladeren kauwden om te bekijken of ze geschikt waren om als tabak dienst te doen bleek dat ze al snel misselijk werden. De reden daarvan is dat de kusttabak niet of nauwelijks nicotine bevat, maar zijn broertje nornicotine.

Rode Tabak

De vrij zeldzame Rode Tabak (Nicotiana forgetiana) is inheems in zuidelijke delen van Brazilië. Hij kan een hoogte bereiken van een meter. Deze tabakssoort kenmerkt zich door relatief kleine rode trompetvormige bloemen, die maar heel weinig geur afgeven. Eigenlijk zou deze tabakssoort daarom Roodbloemige Tabak moeten heten, maar een kniesoor die daarop let. Ik ben dus zo'n kniesoor.

Rode Tabak is een zogenaamde ruderale soort, de aanduiding voor een biotoop, welke gekenmerkt wordt door ernstige menselijke verstoring doordat er materiaal (puin of stenen), is gestort en dat een grote hoeveelheid voedingsstoffen (met name stikstof) bevat. Deze soort doet het goed in een goed gedraineerde bodem in rotspartijen, bermen en andere verstoorde ondergronden.
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Nicotiana, ontleent zijn naam aan Jean Nicot, een Franse edelman en de Franse ambassadeur in Portugal van 1559 tot 1561, die in 1560 via Portugal de zaden van de tabaksplant zijn land binnenbracht. Het tweede deel, forgetiana, eert de Britse verzamelaar van exotische planten en zaden Louis Forget († 1915). Hij was in dienst van het Britse Messrs. Frederick Sander & Sons, gevestigd te St. Albans, die daar een orchideenkwekerij waren begonnen. Later had men ook een vestiging in het Belgische Brugge. En juist in België wordt Rode Tabak heel af en toe verwilderd aangetroffen.

Onderzoek heeft aangetoond dat Jasmijntabak (Nicotiana alata) en Rode Tabak zeer nauw aan elkaar verwant zijn. In het algemeen sluiten de bloemen van de Rode Tabak zich na zonsondergang een uurtje later dan die van de Jasmijntabak en openen zich in de late namiddag een uurtje eerder dan die van zijn broertje. Op wat koelere dagen blijven de bloemen van beide soorten wat langer open.

Deze column is mede mogelijk gemaakt door de erfgenamen van Messrs. Frederick Sander & Sons. Zie voor hun website hier.

Cleveland's Tabak

In zijn thuisland wordt deze tabakssoort Cleveland's Tobacco (Nicotiana clevelandii) genoemd. Laten wij in Nederland maar geen spelbreker zijn en hem hier ook Cleveland's Tabak gaan noemen.

Cleveland's Tabak is een wilde tabakssoort die inheems is van noordwestelijk Mexico tot zuidwestelijke delen van de Verenigde Staten. Meer specifiek groeit hij in de staten Californië en Arizona, waar hij kan worden aangetroffen in de Sonoran Desert, Colorado Desert en in de zogenaamde chaparral, een kustlandschap, gevuld met planten die gevormd wordt door het Mediterrane klimaat op het schiereiland van Californië en de aanliggende eilanden.
Cleveland's Tabak is een behaarde eenjarige plant met een slanke opstaande stengel die tot circa 60 centimeter hoogte kan opgroeien. De bladeren kunnen bijna 20 centimeter groot worden. De twee centimeter lange en trompetvormige bloemen zijn wit of ietwat lichtgroen van kleur. Ze verspreiden een sterke, bijna slaapverwekkende geur. Het zaad zit in een capsule van een halve centimeter groot.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Nicotiana, ontleent zijn naam aan Jean Nicot, een Franse edelman en de Franse ambassadeur in Portugal van 1559 tot 1561, die in 1560 via Portugal de zaden van de tabaksplant zijn land binnenbracht. Het tweede deel, clevelandii, vernoemt de Amerikaanse oud-president Grover Cleveland (1837-1908).

Deze plant werd door de Cahuilla gebruikt voor een veelheid van medische doeleinden en gerookt tijden diverse rituelen. De Cahuilla bewonen de Colorado Desert, de San Jacinto en de San Bernardino Mountains. Ze vormen een Indianenstam die langzaam aan het uitsterven is. Er bestaan nog maar zo'n 800 leden van de stam, waarvan er slechts 35 de taal nog spreken. In hun mythologie is tabak één van de eerste planten die door hun god Mukat werd gecreëerd. Hij trok zowel de plant als en pijp uit zijn hart. Om zijn pijp aan te steken zocht hij naar een bron van vuur en creëerde de zon. De zon ontsnapte echter aan zijn greep en dwaalde naar zijn huidige plek.

Bentham's Tabak

Bentham's Tabak (Nicotiana benthamiana) is nauw verwant aan andere soorten tabak die inheems zijn in Australië, maar heeft voor zichzelf een aparte niche verzonnen.

De kruidachtige plant wordt vooral aangetroffen tussen de rotsen op heuvels en kliffen in de noordwestelijke streken van Australië. Bentham's Tabak is variabel in hoogte als in vorm. Sommige exemplaren van deze soort kunnen zich oprichten tot een hoogte van 1,5 meter, terwijl andere zich naar alle kanten uitstrekken en niet hoger reiken dat 20 centimeter. Bentham's Tabak is getooid met witte, trompetvormige bloemen.
Bentham's Tabak is voor het eerst verzameld voor de wetenschap door Benjamin Bynoe op een reis met de HMS Beagle in 1837. Jawel, dat is hetzelfde vaartuig als waarmee Charles Darwin tussen 1831 en 1836 rondom Zuid-Amerika voer en zijn theorie van natuurlijke selectie ontwikkelde.

De plant, ter plaatse bekend als tjuntiwari en muntju, werd door de inheemse Australische bevolking, de Aboriginals, gebruikt als stimulerend middel. Bentham's Tabak bevat namelijk behoorlijke hoeveelheden nicotine en andere alkaloïden.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Nicotiana, ontleent zijn naam aan Jean Nicot, een Franse edelman en de Franse ambassadeur in Portugal van 1559 tot 1561, die in 1560 via Portugal de zaden van de tabaksplant zijn land binnenbracht. Het tweede deel, benthamiana, eert de bioloog George Bentham (1800 – 1884), een Engelse botanicus, die de plant in 1868 opnam in zijn boekwerk 'Flora Australiensis'.

Hoewel Bentham's Tabak tegenwoordig nauwelijks meer voor 'het plezier van roken' wordt gebruikt is hij in wetenschappelijke kringen bijkans onmisbaar geworden. De soort is namelijk zeer vatbaar voor allerhande ziekteverwekkers, zoals bacteria, oomycetes, schimmels en meer[1]. Daardoor kunnen onderzoekers de plant bestuderen en hem zelfs ombouwen tot een producent van geneesmiddelen. De bladeren zijn nogal fragiel en kunnen bij experimenten beschadigd worden om de ethyleensynthese te bestuderen. Ethyleen is een specifiek planthormoon dat wordt afgescheiden na beschadiging.

Maar Bentham's Tabak lijkt een belangwekkende toekomst tegemoet te gaan omdat de plant kan worden ingezet als 'fabriek' voor de productie van een vaccin tegen het gevreesde Ebola Virus en diens broertjes als het Marburg Virus[2].

[1] Goodin et al: Nicotiana benthamiana: its history and future as a model for plant-pathogen interactions in Molecular Plant-Microbe Interactions – 2008
[2] Phoolcharoen et al: Expression of an immunogenic Ebola immune complex in Nicotiana benthamiana in Plant Biotechnology 2011

Jasmijntabak (of Nachttabak)

Jasmijntabak (Nicotiana alata), Siertabak of Nachttabak wordt in Engelstalige landen ook wel Winged Tobacco (Gevleugelde Tabak), Sweet Tobacco (Zoete Tabak), tanbaku en – foutief – Persian Tobacco (Persische Tabak) genoemd. Die laatste naam een echter voorbehouden aan de échte Persische Tabak (Nicotiana persica). De Jasmijntabak is inheems in delen van zuidelijk Brazilië tot noordelijk Argentinië.

Het is voornamelijk een ornamentale plant. Dat hij veelvuldig in tuinen wordt aangeplant is niet zo vreemd omdat de Jasmijntabak op zwoele (na)zomeravonden een heerlijke doordringende geur van jasmijn afgeeft. Bovendien ziet deze tabakssoort er bijzonder elegant uit met zijn melkwitte stervormige bloemen. Zijn populariteit heeft bovendien geleid tot een veelheid van cultivars, waardoor je nu kunt kiezen uit bloemen met diverse kleuren: lichtgroen, rood, wit, geel, roze en paars.
Het is een plant die een hoogte van meer dan een meter centimeter kan bereiken en nadien zal hij zichzelf verder uitzaaien. Je hebt er dus geen omkijken meer naar. Het nadeel is dat Jasmijntabak in toenemende mate verwilderd in onze vaderlandse natuur wordt aangetroffen.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Nicotiana, ontleent zijn naam aan Jean Nicot, een Franse edelman en de Franse ambassadeur in Portugal van 1559 tot 1561, die in 1560 via Portugal de zaden van de tabaksplant zijn land binnenbracht. Het tweede deel, alata, is afkomstig uit het Latijn, waar ala 'vleugel' betekent. De trompetvormige bloemen staan soms als twee vleugels van een libelle tegenover elkaar.

Jasmijntabak wordt tegenwoordig niet voor de productie van tabak ingezet, maar Zuid-Amerikaanse Indianen rookten ooit de bladeren[1]. Dat was niet echt slim omdat in de bladeren van deze tabakssoort geen nicotine zit opgeslagen. Wetenschappelijk onderzoek heeft namelijk uitgewezen dat de nicotine wél in de wortels wordt aangemaakt, maar dat de plant een gen mist om die nicotine naar de bladeren te transporteren[2].

[1] Pennacchio, Jefferson, Havens: Uses & Abuses of Plant-Derived Smoke – Its Ethnobotany as Hallucinogen, Perfume, Incense & Medicine – 2010
[2] Pakdeechanuan et al: Root-to-shoot translocation of alkaloids is dominantly suppressed in Nicotiana alata in Plant & Cell Physiology - 2012

Afrikaanse Tabak

De Afrikaanse Tabak (Nicotiana africana) groeit in Namibië en het is de enige tabakssoort die inheems is in Afrika. Binnen het geslacht Nicotiana worden ongeveer 80 soorten erkend. Daarvan komt zo'n 75% voor in Noord- en Zuid-Amerika en overige 25% in Australië, waarvan vier soorten enkele eilanden in de Stille Zuidzee bewonen. De Afrikaanse Tabak behoort tot de soorten die ooit inheems zijn geweest in Australië, maar heeft misschien wel miljoenen jaren geleden de oversteek naar het Afrikaanse continent gemaakt[1].

Deze soort is slechts op een paar gortdroge woestijnachtige plaatsen aangetroffen in dat Zuidoost-Afrikaanse Namibië: op de Brandberg, de Erongo en de Spitzkuppe Bergen in de noordwestelijke Namib Desert. Mocht u zich afvragen of het land ooit in Duitse handen is geweest, dan is het antwoord bevestigend.
Afrikaanse Tabak wordt aangetroffen op kleine geïsoleerde plekken en groeit in de diepe schaduw tussen rotsen van graniet. De Afrikaanse Tabak kan uiteindelijk een hoogte bereiken van 2.5 meter. Hij bloeit met groenig witte bloemen die zich overdag openen.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Nicotiana, ontleent zijn naam aan Jean Nicot, een Franse edelman en de Franse ambassadeur in Portugal van 1559 tot 1561, die in 1560 via Portugal de zaden van de tabaksplant zijn land binnenbracht. Het tweede deel, africana, is niet lastig te verklaren: het betekent uiteraard 'Afrikaanse'.

De belangrijkste alkaloïde van de Afrikaanse Tabak is nornicotine (circa 28 µg/g drooggewicht), gevolgd door anabasine (4.9 µg/g) en de bekende nicotine (0.6 µg/g).

Er bestaat een theorie, de optimal defense theory, die zegt dat een plant, die wordt aangevreten door herbivoren, meer alkaloïden gaat aanmaken in zowel de beschadigde bladeren als de onbeschadigde bladeren. Maar als de beschadigingen te omvangrijk worden, dan stopt dat proces weer omdat de plant zijn energie gaat steken in de aanmaak van nieuwe bladeren, in plaats van een hopeloze strijd te voeren om aangetaste bladeren te beschermen. Volgens wetenschappelijk onderzoek brengt de Afrikaanse Tabak deze theorie ook in de praktijk.

De Afrikaanse Tabak is een vrij onbekende soort, maar in wetenschappelijke kringen is hij de bron van de Potato Virus Y (PVY) resistentie. Die resistentie kan worden 'ingebouwd' in aardappels, tomaten, paprika's, chilipepers en, jawel, andere tabakssoorten, waardoor ze zelf ook resistent worden tegen dit virus.

[1] Marks et al: Comparative morphology and phylogeny of Nicotiana section Suaveolentes (Solanaceae) in Australia and the South Pacific in Australian Systematic Biology - 2011

Veelbloemige Tabak

De veelbloemige tabak (Nicotiana acuminata) is een wilde tabakssoort. Deze soort is inheems in Argentinië en Chili. De veelbloemige tabak is een eenjarige plant die maximaal een meter hoog kan reiken. De bladeren kunnen tot zo'n 25 centimeter in lengte zijn. In de zomermaanden bloeit de veelbloemige tabak met een groot aantal witte of ietwat groen getinte trompetvormige bloemen die ongeveer vier centimeter lang zijn.

De veelbloemige tabak is een gewilde tuinplant en is dus wereldwijd met toewijding aangeplant door liefhebbers. Het voorspelbare gevolg is uiteraard dat deze soort zich in vele landen als een exoot in de natuur heeft genesteld.
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Nicotiana, ontleent zijn naam aan Jean Nicot, een Franse edelman en de Franse ambassadeur in Portugal van 1559 tot 1561, die in 1560 via Portugal de zaden van de tabaksplant zijn land binnenbracht. Het tweede deel, acuminata, is afkomstig uit het Latijn, waar acuminatus, zoiets betekende als 'puntig' of 'scherp'. Uiteindelijk kan het woord worden herleid uit het Oud-Grieks, waar akon 'pijl' betekend heeft. Het poogt de vorm van de bladeren te beschrijven.

In hun taal noemden de inheemse bewoners, de Mapuche de veelbloemige tabak pëtrem. Ze hebben de bladeren van deze tabakssoort al sinds mensenheugenis gerookt. De sjamanen van de Mapuche, de machi genoemd, rookten zelfs grote hoeveelheden van deze tabakssoort om in een trance te komen. Je kunt er dus vanuit gaan dat er meer dan voldoende nicotine in de veelbloemige tabak verstopt zit.

Australische Tabak

Australische Tabak (Nicotiana occidentalis) is een kruidige struik die inheems in in Australië. Deze tabakssoort groeit als een eenjarige of een kortlevende meerjarige plant. De soort groeit op een veelheid van bodemsoorten. Uiteindelijk kan de inheemse tabak een hoogte bereiken van 120 centimeter. Hij is van top tot teen bedekt met kleverige haren. De inheemse tabak bloeit met gele of roze bloemen. Deze versie wordt niet voor rokers ingezet.
Australische Tabak komt in grote delen van Australië voor, behalve in het tropische noorden en de koelere, nattere zuidwestelijke en zuidoostelijke delen.

Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Nicotiana, ontleent zijn naam aan Jean Nicot, een Franse edelman en de Franse ambassadeur in Portugal van 1559 tot 1561, die in 1560 via Portugal de zaden van de tabaksplant zijn land binnenbracht. Het tweede deel, occidentalis, is afkomstig van het Latijnse woord occident, dat 'westelijke hemel', 'plek waar de zon ondergaat' of 'zonsondergang' betekend heeft. Nu gebruikt als aanduiding voor 'het westen'.

Er zijn een drietal ondersoorten van de Australische Tabak te onderscheiden: Nicotiana occidentalis obliqua is de enige ondersoort die in een vrij groot deel van Australië voorkomt. De andere twee ondersoorten, Nicotiana occidentalis occidentalis en Nicotiana occidentalis hesperis begroeien slechts westelijke delen van Australië.

Orientaalse Tabak

Orientaalse Tabak wordt ook wel aangeduid als Griekse Tabak of Turkse Tabak. Het is een ondersoort van de 'reguliere' tabak (Nicotiana tabacum) die sun-cured (door de zon gedroogd) is.

De tabak is uiteraard oorspronkelijk in Latijns-Amerika inheems, maar is al vroeg in de historie via de Spaanse overheersers naar het Ottomaanse rijk (1299-1922) overgebracht. De Ottomaanse Turken ontwikkelden hun eigen teeltmethodes en zo ontstond een ondersoort die zeer mild en aromatisch bleek te zijn. Bovendien is deze tabakssoort erg bestand tegen droge omstandigheden.
Historisch gezien werd Orientaalse Tabak voornamelijk in Thracië en Macedonië verbouwd. Deze gebieden die in de loop der geschiedenis meerdere malen verdeeld en maken thans deel uit van Bulgarije, Griekenland, Macedonië en het Europese deel van Turkije. Tegenwoordig wordt de Orientaalse Tabak ook in landen als het Aziatische deel van Turkije, Egypte en Zuid-Afrika geteeld. Op het straatarme noordelijk Cyprus, een 'land' dat alleen door Turkije wordt erkend, werd Orientaalse Tabak sinds het voorjaar van 2016 weer ingezaaid om enig inkomen te genereren voor boeren. Op Cyprus wordt deze tabak aangeduid als Yayla Tabak.

Orientaalse Tabak bevat minder nicotine en suiker dan zijn stamvader. Veel van de eerste merken sigaretten bestonden geheel of grotendeels uit Orientaalse Tabak. Nu wordt deze tabak in het westen voornamelijk ingezet in mengsels (blends) voor pijptabak. Sigaretten bevatten nog steeds vijf tot tien procent Orientaalse Tabak als natuurlijke 'smaakmaker'.

Langsdorff's Tabak

Langsdorff's Tabak (Nicotiana langsdorffii) staat in enkele Engelstalige landen ook wel bekend als Green Flowered Tobacco. Het is een tabakssoort die inheems is in de tropische oerwouden van Brazilië en Argentinië. Deze eenjarige soort is in het bezit van grote bladeren die wel 25 centimeter lang kunnen worden. Hij bloeit met tot wel vijf centimeter grote ietwat hangende trompetvormige bloemen. Die bloemen zijn appelgroen van kleur met blauwe stampers. In tegenstelling tot de meerderheid van zijn familieleden geurt Langsdorff's Tabak nauwelijks.
Hij wordt tegenwoordig voornamelijk als decoratieve borderplant aangeplant in tuinen. Lezers van mijn blog over Exoten in Nederland weten wat er dan kan gebeuren: ook Langsdorff's Tabak wordt intussen steeds vaker verwilderd in onze vaderlandse natuur aangetroffen.
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Nicotiana, ontleent zijn naam aan Jean Nicot, een Franse edelman en de Franse ambassadeur in Portugal van 1559 tot 1561, die in 1560 via Portugal de zaden van de tabaksplant zijn land binnenbracht. Het tweede deel, langsdorffii, eert de bioloog en diplomaat Baron Georg Heinrich von Langsdorff (1774-1852), een Rus met Duitse wortels (of andersom) en dus ook bekend als Grigori (Gregory) Ivanovitch. Hij werd in 1813 door Rusland aangesteld als consul in Argentinië en in 1821 werd onder zijn leiding werd een expeditie in de binnenlanden van Brazilië land opgetuigd.

Het verhaal gaat dat Langsdorff's Tabak geen nicotine aanmaakt. Dat is echter niet juist, want deze tabakssoort maakt wel degelijk (voornamelijk) nicotine aan in de wortels en slaat dat op in de bladeren. Nicotine is een alkaloïde die een natuurlijke verdedigingsmechanisme is tegen vraatzucht van planteneters. Als reactie op het aanvreten zal de tabaksplant meer nicotine aanmaken.

Sot-weed is Tabak

Sot-weed is een oude en nu volstrekt vergeten Engelse naam voor tabak. Het is vermoedelijk een beschrijving van de narcotische effecten van de nicotine in tabak. Nicotine is een agonist voor bepaalde receptoren. Een agonist activeert een bepaalde receptor. De nicotine leidt tot een verhoogde aanmaak van neurotransmitters als acetylcholine, norepinephrine, dopamine, seratonine, glutamaat en endorphine. Teveel activiteit van die neurotransmitters betekent veel te vaak dat buitenstaanders denken dat je een probleem als ADHD of PDD-NOS hebt.
In het Oud-Engels is een sott een 'domme persoon, een dwaas', maar in Nederland is diezelfde betekenis uiteraard ook nog duidelijk te herkennen in het woord 'zot'.

Dat men in het verre verleden de giftige kant van nicotine wel degelijk begreep is ook duidelijk door een andere naam voor tabak: Indian henbane ofwel Indiaans bilzekruid. Het in Nederland inheemse bilzekruid (Hyoscyamus niger) behoort, net zoals tabak, tot de vaak dodelijk giftige nachtschaden (Solanaceae). Bilzekruid is zelfs een van de giftigste planten in onze vaderlandse flora.

Een tevreden roker is misschien geen onruststoker, maar werd in het zeventiende eeuwse Engeland wel degelijk gezien als een zot.

Burley Tabak

Burley Tabak (Nicotiana tobacco 'Burley') is een apart ras van de 'reguliere' tabak (Nicotiana tobacco). Het ras vond zijn oorsprong in 1864 toen George Webb en Joseph Fore het zaad van de Little Burley plantten op de boerderij van Captain Frederick Kautz, gelegen nabij Higginsport, Ohio (USA). Ze ontdekten dat het blad een iets andere kleurstelling had dan hun normale oogsten: de kleur verliep van wit naar geel. Vandaar dat het ras soms ook nog White Burley tobacco wordt genoemd. Toch meenden de heren Webb en Fore eerst dat hun oogst vanwege die fletsgekleurde bladeren ziekelijk was.
De tabaksbladeren van de Burley Tabak dienen air-cured te worden. Bij air-cured wordt de tabak opgehangen in grote open schuren. Door de natuurlijke ventilatie droogt de tabak geleidelijk en wordt hij bruin van kleur. Vaak ondergaat de air-cured tabak een natuurlijk fermentatie- of gistingsproces, waarbij geur en kleur een lichte verandering ondergaan. Ten behoeve van dit natuurlijke proces worden de bundels tabaksbladeren op een stapel gelegd, waardoor het resterende vocht onder druk van die stapel de fermentatie mogelijk maakt. Zodra de temperatuur in de stapel een bepaalde hoogte heeft bereikt, wordt de stapel omgelegd: de buitenste bladeren komen nu binnenin te liggen. Dit omzetten gebeurt net zo vaak totdat er geen temperatuurverhoging meer ontstaat.

Burley Tabak is lichtbruin tot rossigbruin van kleur. Kenners menen dat het aroma wat doet denken aan dat van cacao.
Ondertussen is Burley Tabak het meest verbouwde ras ten behoeve van sigaretten. Omdat het ras weinig suiker bevat wordt het vaak wat op smaak gebracht met suikers of andere smaakstoffen. Dat maakt export naar sommige landen lastig omdat die soms een verbod hebben ingesteld op tabak met toevoegingen.

Er bestaan vele variëteiten van de Burley Tabak. Amerikaanse landbouwers hebben bijvoorbeeld de keus of ze hun tabak vroeg willen oogsten of juist iets later. Sommige variëteiten kunnen beter tegen klimatologische stress dan andere, terwijl het voor de agrariër ook van belang is of zijn landbouwproduct resistent is tegen gevreesde plantenziekten als black shank. Een vrijwel volledige lijst van variëteiten is te vinden in de zeer nuttige Burley and Dark Tobacco Production Guide 2015-2016, uitgegeven door de Universiteit van Kentucky.

Coyotetabak

In Amerika staat deze wilde tabakssoort bekend als coyote tobacco (Nicotiana attenuata). Het lijkt me dus het beste dat wij die naam in Nederland maar gewoon overnemen. De coyotetabak is inheems in de westelijke delen van Noord-Amerika in een brede strook die loopt van British Columbia (Canada) via Texas (USA) tot noordelijk Mexico. Deze soort voelt zich thuis op vele ondergronden en diverse klimaten, maar dat lijkt me ook wel duidelijk als je zowel in het ijzig koude noorden als het zinderend hete zuiden kan overleven. Toch noemen biologen hem af en toe een montane plant, dat wil zeggen dat hij het beste gedijt in wat bergachtig gebied.

Coyotetabak is een slanke, spaarzaam behaarde plant die tot een meter hoog kan reiken. De bladen kunnen tien centimeter lang worden, de onderste exemplaren zijn dan ietwat ovaal, terwijl die bovenin groeien wat langwerpiger zullen zijn. De bloemen zijn trompetvormig, twee tot drie centimeter lang en roze of groen van kleur. Ze geuren heerlijk sterk.
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Nicotiana, ontleent zijn naam aan Jean Nicot, een Franse edelman en de Franse ambassadeur in Portugal van 1559 tot 1561, die in 1560 via Portugal de zaden van de tabaksplant zijn land binnenbracht. Het tweede deel, attenuata, is afkomstig uit het Latijn, waar attenuare zoiets betekende als 'dunner maken' of 'verminderen'. Het verklaart de slanke vorm van deze tabakssoort.

Deze tabaksversie werd ooit voor vele medicinale en rituele doeleinden gebruikt door de Indianen. Hij werd ceremonieel gerookt door de Hopi, de Apaches, de Navajos en diverse andere stammen. De Zuni geloofden dat rook, die over het lichaam werd geblazen door de medicijnman, het gif van slangenbeten kon neutraliseren. Tabak was de enige plant die door de Crow werd gedomesticeerd.

Bostabak

Bostabak of wilde tabak (Nicotiana sylvestris) is inheems in bossen die grenzen aan het Zuid-Amerikaanse Andesgebergte en dan speciefiek in Argentinië en Bolivië. Na het nodige genetisch onderzoek geloven de wetenschappers dat de bostabak wel eens een wilde voorouder kan zijn van de (echte) tabak (Nicotiana tabacum). Als bostabak de voorouder van 'moederskant' genoemd mag worden dan is het nog wat raadselachtig wie de 'vader' zal blijken te zijn. Kanshebbers zijn Nicotiana glutinosa, Nicotiana tomentosiformis en Nicotiana otophora.
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Nicotiana, ontleent zijn naam aan Jean Nicot, een Franse edelman en de Franse ambassadeur in Portugal van 1559 tot 1561, die in 1560 via Portugal de zaden van de tabaksplant zijn land binnenbracht. Het tweede deel, sylvestris, is uiteindelijk terug te voeren op het Latijnse woord silva, dat 'bos' betekent.

Bostabak kan na een lange, zwoele zomer een hoogte bereiken van bijna twee meter. Hij bloeit met vele witte langwerpige trompetvormige bloemen. Uiteindelijk produceert bostabak een grote hoeveelheid piepklein zaad.

Die bloemen zijn voornamelijk schemer- en nachtbloeiers. Ze geven een heerlijke zoetige geur af die doet denken aan jasmijn. Op die geur komen veel insecten, zoals motten, af en dat is dan ook de reden dat deze soort vaak in tuinen wordt aangeplant. Probeer het lieflijke beeld eens voor je ogen te krijgen: met je geliefde een heerlijk koel glas wijn drinkend en, als de avond dreigt te vallen, wordt de hele tuin gehuld in een romantische jasmijngeur.
In Engeland werden in de Victoriaanse tijd bostabakplanten aangeplant langs paden en wegen, zodat wandelaars konden genieten van de heerlijke zoetige geur van de bloemen.

In ons land wordt bostabak in toenemende mate in het wild aangetroffen. Dat betekent dat het een populaire tuinplant is die het in ons wisselvallige klimaat zo goed lijkt te doen dat de soort het ook in de ongeregelde natuur kan overleven. Normaal zal bostabak een eenjarige plant zijn, maar indien de winter niet al de streng is geweest, zal de plant gewoon blijven doorgroeien en wordt hij vanzelf een meerjarige plant.

Zoals alle tabakssoorten is ook deze soort giftig. Dat komt natuurlijk ook omdat hij thuishoort in de grote familie van de nachtschaden, waar overigens ook de aardappel, de tomaten en de chilipepers toe behoren. De nicotine wordt door de plant aangemaakt om vraatschade te voorkomen. Zo zie je maar: iedere plant heeft zo zijn eigen manier gevonden om hetzelfde probleem op te lossen.

Boerentabak

Ooit, in een ver verleden – tot zo'n beetje in de jaren negentig van de vorige eeuw – rookte iedereen vanaf een jaar of twaalf met veel plezier zijn of haar sigaretten, sigaren en pijpen. Als je niet rookte was je de uitzondering op de regel en vroeg men zich achter je rug af of je misschien iets mankeerde. In tijden van crisis, zoals de Tweede Wereldoorlog, was tabak soms niet eenvoudig te verkrijgen en moest men noodgedwongen naar alternatieven zoeken.

Omdat de tabaksplant (Nicotiana tabacum) het niet gemakkelijk heeft in ons koele klimaat plantten boeren soms een broertje van die soort aan: de boerentabak (Nicotiana rustica). Ook deze soort heeft zijn wortels oorspronkelijk in de regenwouden van Zuid-Amerika staan, maar hij is wél in staat om in onze contreien te overleven.
Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Nicotiana, ontleent zijn naam aan Jean Nicot, een Franse edelman en de Franse ambassadeur in Portugal van 1559 tot 1561, die in 1560 via Portugal de zaden van de tabaksplant zijn land binnenbracht. Het tweede deel, rustica, is van Latijnse oorsprong, waar rusticus 'van het land', 'landelijk', maar ook 'eenvoudig', 'ruw' en 'grof' betekent.

Maar deze versie heeft een wat duistere keerzijde. In de boerentabak zit meestal namelijk meer dan negen keer de hoeveelheid nicotine verstopt dan in de tabaksplant. Dat maakt 'm zeer geschikt voor gebruik als een pesticide en in zijn thuislanden roken sjamanen de plant om in hoger sferen te komen. Deze tabak is zo sterk dat zelfs mannen en vrouwen, die gewend zijn om zware shag te roken, misselijk worden en moeten overgeven.

Nog steeds worden door arme bevolkingsgroepen in landen als Turkije en Rusland sigaretten gedraaid van de boerentabak. In Vietnam wordt boerentabak veel gerookt nadat zwaar getafeld is om de vertering van het voedsel wat op gang te brengen. De verhalen spreken van een aanval van hevige duizeligheid, die enkele seconden aanhoudt, maar ik verwacht dat de gebruikers behoorlijk aan de diarree zullen raken van het gebruik. Want dat is namelijk een bijwerking van nicotine: een versnelde spijsvertering.
[Teelt boerentabak in Vietnam]
De tijden zijn weliswaar veranderd en de boerentabak wordt hier allang niet meer door boeren aangeplant, maar hij kan nu wel in diverse tuincentra worden aangeschaft om je tuinen mee aan te kleden. Hij wordt dan soms omschreven als een mooie eenjarige sierplant die als bijzonderheid heeft dat er meerdere kleuren bloemen aan één plant kunnen zitten, maar in zijn puur natuurlijke staat heeft deze soort gele bloemen.

Omdat de boerentabak al een lange geschiedenis in ons land achter de rug heeft, heeft hij ook al lange tijd gehad om aan onze aandacht te ontsnappen. Zijn aanplant op vergeten stukjes van boerenerven zorgde voor een eerste verspreiding in de natuur. Het resultaat van de aanplant in onze fraaie borders was dat de soort ook de lokroep van de vrijheid kon beantwoorden. Het resultaat van dit alles is dat de boerentabak steeds vaker wordt waargenomen in onze 'vrije' natuur.

Overigens kunnen de nog overgebleven verstokte rokers misschien eens gaan nadenken over het zelf gaan telen van de boerentabak. De belasting op een pakje sigaretten is ondertussen zo hoog geworden dat zo'n leuke hobby zeker de moeite gaat lonen.

Tabak

Nee, we gaan het niet hebben over de enge ziekten die je kan oplopen door het roken van tabak. Die problemen zijn zo langzamerhand wel algemeen bekend.

De tabaksplant (Nicotiana tabacum) is afkomstig uit Amerika. Nicotine is de voornaamste werkzame stof uit de tabaksplant en men wist eerst eigenlijk niet zo goed wat men nu met die tabak aan moest en men experimenteerde er driftig mee. Eerst werd tabak als een geneesmiddel geprobeerd, maar dat bleek niet echt een succes. Pas daarna begon men het te roken en te snuiven. Het eerste deel van zijn wetenschappelijke naam, Nicotiana, is natuurlijk ook de naamgever van de werkzame stof nicotine en het ontleent zijn naam aan Jean Nicot, een Franse edelman en de Franse ambassadeur in Portugal van 1559 tot 1561, die in 1560 via Portugal de zaden van de tabaksplant zijn land binnenbracht. Portugese zeelieden hadden de tabaksplant uit hun Amerikaanse koloniën uit de nieuwe wereld meegebracht. Het tweede deel van zijn wetenschappelijke naam, tabacum, heeft een wat ingewikkelder herkomst. Via het Spaanse woord tobaco is het afkomstig van een woord van een Indiaans volk uit het Caribisch gebied, de Arawakken, waar het zoiets betekende als ‘een rol tabaksbladeren’. Maar het Spaanse woord tobaco was rond het jaar 1400 (toen Amerika nog niet was ontdekt) al een woord voor verschillende medicinale kruiden en dat woord is dan weer geleend van het Arabische tabbaq dat al vanaf zo’n beetje het jaar 900 ook gebruikt werd voor diezelfde collectie kruiden. Het woord is daardoor een Europees woord dat getransplanteerd werd naar een gelijkluidend woord uit Midden-Amerika.

Sigarettentabak bevat normaal ongeveer twee procent aan de alkaloïde nicotine. In zuivere vorm is het een kleurloze vloeistof. Het maakt branderig en ruikt - uiteraard niet zo heel vreemd - een beetje naar tabak. De dodelijke dosis nicotine is voor de mens voor een niet-rokende volwassene 40 tot 60 milligram. Een thee, tijdens een spelletje getrokken van vier tot zes sigaretten kan voor een kind al dodelijk zijn.
De verschijnselen van een acute vergiftiging met nicotine zijn: heftige pijnen, braken, diarree, zwakte in de ledematen, sidderen, koud gevoel, zweten, speekselvloed, lagebloeddruk, langzame hartslag, vernauwde pupillen, verwarring, krampen en dood door ademhalingsverlamming of hartfalen. Nicotine in hoge dosis blokkeert ook nog eens de overdracht van zenuwprikkels in de zenuwknopen.

Je kunt jezelf gelukkig niet door roken accuut vertgiftigen omdat het gif, de nicotine, daarvoor te snel door het lichaam wordt afgebroken.

In pre-Columbiaanse culturen van Zuid- en Midden-Amerika (de Azteken, Inca's en Maya's) werd tabak veelvuldig ingezet voor diens hallucinogene en narcotische werking op de menselijke geest. Het is onbekend waarom deze effecten zich niet binnen de westerse cultuur hebben gemanifesteerd en we ons beperkt hebben tot het roken van die tabaksplant.